ik trek strepen
door mijn stad in gedachten
te tekenen met woorden.
ik zit in de schaduw van de kapelaan.
hij haalt met de armen opgeheven
wat schaapjes op het droge
in de slipstream van het plein.
bier roept met vrolijke tonen
de lente op een mooie zomerdag
tot zich. tot zich een spel ontplooit
waarin de warme schoonheid
het oeverloos voortschrijden van tijd
een halt toe roept.

‘HALT!’

stel ik ben een bouwer,
dan construeer ik fantasie├źn
met een afspiegeling van mijn stad
waarin de slapers wonen
die het nooit hebben gehad
over kantoren, winkels of een station
maar over dromen die uitkomen.
dan zal een van mijn ontwerpen
een loods laten verrijzen
aan de periferie van de volmaaktheid
die alle leegstand laat verdwijnen.
zo win ik weer wat ruimte
die ik kan omvatten
met andere muren en mooiere daken
voor de dromers die misschien
nog zullen komen, of niet.
dan slaap ik in de tunnels
van ons verstofte erfgoed
om nieuwe visioenen te omarmen
die mij de stad laten voltooien.

stel ik ben een sloper
dan sta ik mooi te kijken
want we doen niet meer aan slopen
we breken duurzaam af.
De hele stad kan dan genieten
maand na maand na maand
na maand na maand na maand
van een aftakelend gebouw
dat, niet in staat om te blijven,
de mensen zal vermaken
met een ge-urbaniseerde striptease.
sommige gebouwen zijn nu
eenmaal gemaakt om af te breken.
misschien bouw ik ook een tunnel
een bovengrondse tunnel
midden in de stad
waar mensen kunnen schuilen
tegen regen, zon en duivenkak
tijdens het eeuwig loeren
naar de hamer die de beitel aait
totdat weer een korrel loskomt
van een gebouw dat niemand nooit vergeet.

stel ik ben een burgemeester
dan beluister ik mijn hart
meer nog dan het gonzen van de stad
waar anti-groepjes tegen het verzet
in zijn gaan schreeuwen.
luisteren zal ik nooit meer
naar de sjeng met de snor.
mijn naam zal nooit meer vallen
in een commissie van vertrouwelijk onfatsoen
want juist op hard geniepige vloeren
weerkaatst van pure domheid
de naam vol afgewezen verraad.
geen pilaren kunnen de waarheid dragen
of zijn dik genoeg om de kranten tegen te houden
die gebruikt zijn om de tochtgaten te dichten
maar door schokgolven non-lineair
het nieuws verspreiden.

stel ik ben een zeurkous
dan neem ik snel de eerste trein
nog voor het Maankwartier voltooid is
en blijf voorgoed in mijn huis in Amsterdam. punt!

stel ik ben heerlens oudste kroeg
dan sta ik maar wat te verslonzen,
ooit de gewezen poort van de stad,
het schaamrood op mijn kaken.
terwijl ik stijf mijn ogen sluit
voor de wereld om mij heen
groeit in mij een boom of vijf.
hun wortels vinden mijn oorsprong
in de kelder van verschonken goud.
mijn allerlaatste load out en stay
hebben nooit geklonken.
gute nacht freunde
wie durft nu nog
aan mijn kroonluchter te hangen?
wie weet nu nog
meer dan vijf aforismen af te ratelen
die, geschreven op de tegels van de plee,
naarmate de avond vorderde steeds beter werden?
wie kent nu nog
mijn prachtige tuinterras
voordat de term overwoekering
een geheel nieuwe lading kreeg?

stel ik ben een stadsdichter
dan hoor ik al die verhalen
die de spitse punten van mijn potloden
weer bot zullen maken
als gekras over de ziel van mijn stad
diep snijdt in het binnenste.
ik ben geen slijper van nature.
dan trek ik liever strepen
door mijn stad in gedachten
te tekenen met woorden.
dan zit ik in de schaduw van de kapelaan
en haalt hij met de armen opgeheven
wat schaapjes op het droge
in de slipstream van het plein.
dan roept bier met vrolijke tonen
de lente op een mooie zomerdag
tot zich. tot zich een spel ontplooit
waarin de warme schoonheid
het oeverloos voortschrijden van tijd
een halt toe roept.
en dan,
tja,

dan ben ik gewoon begonnen!